Essay · 5 juli 2026 · 9 min lezen
De grootste financiële grap van Nederland.
Nederlanders sparen zich een ongeluk — en verliezen daarmee stilletjes koopkracht. Wat zou er gebeuren als je eens deed wat de banken zelf doen?
Nederlanders sparen zich een ongeluk. Letterlijk bijna. Gezamenlijk staat er inmiddels ruim 550 miljard euro op spaarrekeningen. Beleggen? Dat doen we veel minder. Daar zit zo’n 200 miljard euro in, grotendeels in aandelen en aandelenfondsen.
En dat is eigenlijk best knap.
Want spaarrentes zijn zó laag dat ze vaak niet eens voldoende bescherming bieden tegen inflatie. Ofwel: in reële termen (gecorrigeerd voor inflatie) loopt de gemiddelde Nederlander verlies op zijn spaargeld.
Toch blijft de Nederlander — van oudsher zuinig en risicomijdend — liever sparen dan beleggen. Dat is ook niet zo vreemd. Iedereen die ook maar overweegt te beleggen wordt vriendelijk doch dringend gewaarschuwd met de inmiddels iconische tekst: “Met beleggen kunt u uw inleg verliezen.” Een prachtige vondst uit de Europese regelgevingsmachine. Alsof de gemiddelde Nederlander anders morgen al zijn spaargeld in Peruaanse alpaca-obligaties zou stoppen.
Dus daar zit je dan. Sparen levert te weinig op. Beleggen is eng. Wat moet je dan?
Misschien helpt het om eens te kijken naar de partijen die het meeste verstand zouden moeten hebben van geld: de banken zelf.
Want opvallend genoeg geloven die helemaal niet zo sterk in hun eigen spaarrekening.
De banken geloven niet in hun eigen spaarrekening
Banken zijn fascinerende instellingen.
Ze betalen jou een bescheiden spaarrente, lenen datzelfde geld voor de langere termijn uit aan bedrijven of verstrekken het als hypotheek tegen een aanzienlijk hogere rente, en verdienen zo vrolijk aan het verschil. Dat is hun bestaansrecht en daar is op zichzelf weinig mis mee.
Maar banken mogen niet al hun geld vastzetten in hypotheken en bedrijfsleningen. Stel dat morgen half Nederland besluit zijn spaargeld op te nemen. Dan kun je moeilijk tegen de klant zeggen: “Geen probleem, komt u over 27 jaar maar terug zodra de familie Jansen hun hypotheek heeft afgelost.”
Daarom verplichten toezichthouders banken om ook zeer liquide en veilige beleggingen aan te houden. Denk aan tegoeden bij centrale banken en staatsobligaties.
En hier begint de ironie.
Bijvoorbeeld ING hield in 2025 voor tientallen miljarden euro’s aan tegoeden bij centrale banken, daarnaast voor tientallen miljarden aan staatsobligaties en nog eens een fors bedrag aan andere overheidsgerelateerde obligaties.
Waarom?
Omdat ze veilig zijn én omdat ze zo meer rente ontvangen dan ze jou op je spaarrekening geven.
En nee, staatsobligaties zijn niet alleen bedoeld voor banken, pensioenfondsen of professionele beleggers.
Iedere particulier kan ze kopen.
Een staatsobligatie is simpel gezegd een lening aan de Nederlandse overheid. Jij leent de staat geld, ontvangt daarvoor rente en krijgt aan het einde van de looptijd je inleg terug.
Met andere woorden: de belegging waarin banken zelf tientallen miljarden euro’s aanhouden, is ook gewoon beschikbaar voor de Nederlandse spaarder.
En dat roept een interessante vraag op.
Als banken zelf zoveel waarde hechten aan staatsobligaties, hoe verhouden die zich dan eigenlijk tot een spaarrekening?
De bizarre rente-anomalie
Neem een eenvoudige vergelijking.
Een Nederlandse staatsobligatie met een looptijd van vijf jaar leverde begin juli 2026 ongeveer 2,71% rendement per jaar op.
Een vijfjaars spaardeposito bij een grote Nederlandse bank? Ongeveer 2,20%.
Dat lijkt een klein verschil.
Tot je een ton hebt.
Dan kost dat verschil je over vijf jaar bijna €3.000.
En dan begint de echte grap.
Vrijwel iedereen gaat ervan uit dat sparen veiliger is dan een Nederlandse staatsobligatie.
Dat klinkt logisch.
Het is alleen niet helemaal waar.
Wie garandeert eigenlijk wie?
Spaargeld is verzekerd via het depositogarantiestelsel tot €100.000.
Mooi systeem.
Maar wie staat daar uiteindelijk achter?
De Nederlandse overheid.
Met andere woorden: als een bank omvalt, springt uiteindelijk dezelfde overheid bij die ook de rente betaalt op Nederlandse staatsobligaties.
Sterker nog, historisch gezien heeft Nederland sinds de oprichting van het Koninkrijk in 1815 zijn verplichtingen op staatsleningen in eigen valuta altijd nagekomen. Zelfs oorlogen, recessies en financiële crises vormden geen aanleiding voor een formele wanbetaling.
Banken kunnen dat niet zeggen.
Vraag dat maar eens aan voormalige klanten van DSB Bank (géén afkorting van “De Slimme Bankier”).
Mocht de Nederlandse overheid ooit écht in de problemen komen, dan beschikt zij over een instrument waar banken slechts jaloers op kunnen zijn: de Belastingdienst.
De financiële natuurwet krijgt een vrije dag
En daarmee komen we uit bij een opmerkelijke economische paradox.
Iedere eerstejaars econoom leert dat hoger rendement gepaard gaat met hoger risico.
Een prachtige vuistregel.
Behalve wanneer het niet zo is.
Want in Nederland komt het regelmatig voor dat staatsobligaties méér opleveren dan spaardeposito’s, terwijl ze minstens zo veilig worden geacht.
Dat is alsof Albert Heijn morgen besluit om A-merken goedkoper te verkopen dan huismerken.
Hoe hebben we dit voor elkaar gekregen?
Hoe kan het dat een belegging die minstens zo veilig wordt beschouwd tóch meer oplevert dan een spaardeposito?
Waarschijnlijk helpt de belasting in box 3 een handje.
Spaargeld en beleggingen worden fiscaal verschillend behandeld. Jarenlang was het daardoor voor veel mensen aantrekkelijker om hun vermogen op een spaarrekening te laten staan dan om staatsobligaties te kopen, ook als die meer opleverden.
Een belastingstelsel dat risicovol gedrag ontmoedigt is prima.
Een belastingstelsel dat óók veilig gedrag ontmoedigt wordt ingewikkelder uit te leggen.
Nu dit systeem naar verwachting rond 2028 wordt hervormd richting belasting op werkelijk rendement, zou dat ons wellicht kunnen helpen om eindelijk af te komen van deze ongezonde spaargewoonte.
Iedereen wint. Behalve de spaarder.
En ik vraag me af of men in Den Haag eigenlijk wel wakker ligt van deze spaarparadox.
Integendeel.
De afgelopen jaren bleek al dat bankwinsten met bovengemiddelde belangstelling worden gevolgd en dat de bankenbelasting een geliefde knop is wanneer er weer eens een gat in de begroting moet worden gedicht.
Zo bezien is deze Nederlandse spaarcultuur eigenlijk een wonder van efficiëntie.
De spaarder krijgt een lagere rente.
De bank verdient het verschil.
De overheid houdt een winstgevende en makkelijk belastbare sector over.
En de belastingbetaler?
Die krijgt vooral te horen dat hij vooral niet moet beleggen, omdat hij zijn inleg zou kunnen verliezen.
Dat laatste is misschien wel de grootste ironie van allemaal.
Want soms verlies je je geld helemaal niet door te beleggen.
Soms verlies je het juist door braaf te sparen.